Molukkers in Mokum

akar
Leentje en wim tehupeiory 1908
Foto 1 Leentje en Empie Tehupeirory in Amsterdam, 1908, Rechts Wims Verloofde Anna Ommering.

Reeds in 1878 staat er in de Czaar Peterstraat een Molukse man ingeschreven, Jacob Rehatta. Het duurt tot 1907 voordat een handjevol volksgenoten volgt, het zijn studenten. Begin jaren vijftig strijkt een tiental marinegezinnen neer in West, en tegenwoordig wonen er duizenden Molukkers in Amsterdam. 

De gebroeders Johan en Wim Tehupeiory zijn in 1907 de allereerste Molukse (toen werd ‘Ambonese’ gezegd) studenten in Nederland. Ze studeren aan de Universiteit van Amsterdam en verbazen zich de eerste weken in hun pension op de Prinsengracht vooral over hoe serieus Nederlanders met tijd omgaan.

Het lijkt wel alsof de alom aanwezige klok hun leven bepaalt. Een afspraak om tien uur, is tien uur en geen minuut eerder of later. In Indië kon een afspraak om tien uur, best elf uur worden of twaalf. Tijd was er rekbaar als rubber.

Nederlanders in eigen land zijn, zo ontdekken de broers en hun medestudenten uit Nederland-Indië alras, heel anders dan Nederlanders in Indië. In Amsterdam wordt er wel met schuine ogen naar deze studenten gekeken, maar het is tenminste niet de neerbuigende blik die zij thuis gewend zijn. Exemplarisch is de anekdote die dr. Bertus Apituley, ook een Molukker, graag placht te vertellen. Toen hij eens met zijn collega Wim Tehupeiory bij een bouwplaats naar de werkzaamheden stond te kijken, werden zij gespot door twee Amsterdamse lieverdjes. De een wees naar de twee mannen en riep: ‘Hé kijk, twee pindachinezen’. Waarop het andere jochie nog eens goed keek en antwoordde: ‘Ja, maar wel twee rijke pindachinezen’.

Affiche Koninklijke Marine

Gevierde leden van het studentencorps

De Tehupeiory’s, Apituley en hun Molukse vrienden (we kennen ze bij naam: Augustin, Latumeten, Leiwakabessy, Mahulete en Sitanala) weten zich in Amsterdam razendsnel aan te passen. Dankzij hun studie aan de School tot Opleiding van Inlandsche Artsen (STOVIA) in Weltevreden bij Batavia spreken zij uitstekend Nederlands en zijn zij redelijk op de hoogte van de Nederlandse gebruiken. Zij blijken eveneens uitmuntende studenten. De Tehupeiory’s bijvoorbeeld studeren binnen het jaar af, terwijl ze nog voldoende tijd vinden voor het studentenleven.

Waar zij in eigen land als tweederangsburgers worden behandeld door de Nederlandse kolonialen gaan zij in Amsterdam om met Nederlanders als gelijken. Ze genieten zelfs een zekere populariteit vanwege hun exotisch uiterlijk, hun levenservaring en medische kennis – en waarschijnlijk zijn het ook vriendelijke mannen. Beiden ontpoppen zich tot gevierde leden van het studentencorps en beiden krijgen een openlijke amoreuze relatie met een Nederlands meisje, ondenkbaar in Indië.
De Molukse studenten van het eerste uur zijn na hun studie vrijwel allemaal teruggekeerd naar Nederlands-Indië. Dokter Apituley blijft, zijn nakomelingen wonen nu nog in Amsterdam. Sommige van zijn vrienden maken nog mee dat hun vaderland onafhankelijk wordt. Zij en het gros van de Molukse intellectuelen staan achter de Indonesische onafhankelijkheid en blijven na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 in Indonesië, zoals – en dat wordt nogal eens vergeten in Nederland – 99 procent van het Molukse volk. 

Links_Minggus Manuputty_WO2
Molukker Minggus Manuputty (Links) aan boord van Hms Tromp in WO 2 (rechts Theis Leiwakabessy).

‘Tijdelijk’ naar Nederland

Toch vertrekt in 1950 en ’51 een groep van vierduizend Molukse militairen, al dan niet met gezin, naar Nederland. Het was de bedoeling dat zij, net als het overgrote merendeel van hun collega’s, zouden overgaan naar de Indonesische strijdkrachten of met pensioen zouden gaan. Helaas is er op 24 april 1950 op de Molukken een opstand uitgebroken. Onder de laatste vierduizend mannen op Java die op het punt staan om over te gaan, zijn er nu die op het Molukse hoofdeiland Ambon willen vechten voor hun eigen republiek, anderen twijfelen over wat te doen.

Allen worden vertegenwoordigd door een commissie van eigen sergeant-majoors die naar Nederland vertrekt voor overleg. Ingefluisterd door hun advocaten weet deze commissie te bewerkstelligen dat de resterende militairen ’tijdelijk’ naar Nederland worden overgebracht. Iets waar slecht over wordt gecommuniceerd met het thuisfront. De mannen in kwestie lezen blijkbaar geen kranten, en velen op de eerste vaarten hebben dus geen idee waar ze naar toe gaan.

Marineman Isaac Keppy gaat met zijn complete familie onwetend over de  eindbestemming aan boord van de Kota Inten die als eerste vertrekt. Hij ziet dat er KNIL-mannen zijn die hun wapens en munitie meesmokkelen, voor geval ze ergens worden gebracht waar zij zich moeten verdedigen. Bij Gibraltar begrijpen zij dat Nederland het einddoel is en gooien zij de smokkelwaar overboord.

Het grootste gedeelte van de vierduizend Molukse militairen bestaat uit voormalige KNIL-soldaten. Ongeveer tachtig tot honderd mannen behoren tot de Koninklijke Marine. Het KNIL is opgeheven, die militairen worden ontslagen en ondergebracht in voormalige concentratiekampen, waar zij en hun gezinnen jarenlang verblijven onder niet zo beste omstandigheden.

Kattenburg

De  Koninklijke Marine is echter niet opgeheven. De Molukse marinemannen blijven in dienst en krijgen na verloop van tijd gewone huurwoningen toegewezen in met name marinestad Den Helder, Loosdrecht, waar het opleidingskamp zich bevindt, en Amsterdam, vanwege het marine-etablissement Kattenburg. Kwartiermeester Keppy komt met zijn gezin in Amsterdam-Slotermeer te wonen.

In Nederland heeft de gewone burger er weinig benul van dat er al die jaren ook Indonesiërs, waaronder Molukkers, bij de Koninklijke Marine hebben gediend. Geen wonder, want hoewel een derde van de bemanning op de schepen bestond uit Indonesische matrozen kwamen die nooit naar Nederland. Voordat de marineschepen op weg naar Holland in Europese wateren raakten, gingen de Indonesiërs van boord en werden zij vervangen door Nederlanders. Op de terugreis gingen de Nederlandse vervangers tussentijds weer van boord, en Indonesiërs namen hun plaats in. Tijdens de oorlog lieten honderden Indonesiërs het leven in de Slag in de Javazee, anderen raakten in  gevangenschap, een minderheid bleef actief, dit keer wel tot in Europa. De Molukse korporaal-machinist Wim Siahainenia, die in de jaren vijftig in de Nannostraat in Amsterdam West belandt (de straat bestaat niet meer), heeft tijdens de oorlog op onderzeeboten gevaren die vanuit Schotland Duitse konvooien bestookten. Zijn collega, bootsman Minggus Manuputty, die eveneens in de Nannostraat woont, heeft met de marine strijd geleverd tegen de Japanners. Bootsman Job Pelupessy in de nabijgelegen Schaapherderstraat heeft als
krijgsgevangene van de Japanners als dwangarbeider gewerkt aan de Birmaspoorweg.

Trassi

Hun echtgenotes en dochters frequenteren de markten op het Bos en Lommerplein en Plein ’40- ’45 en vormen er in hun batik sarongs al snel een vertrouwd beeld. In de ‘Ambonezenkampen’ is dat beeld algemeen, de eerste jaren is het contact met de buitenwereld gering. De kinderen spelen alleen met andere Molukse kinderen, ze gaan naar de ‘Ambonezenschool’, van aanpassing aan de Nederlandse maatschappij is nauwelijks sprake.

Maar in Amsterdam groeien de Molukse kinderen in de jaren vijftig en zestig op tussen Nederlandse buren, ze gaan naar school met Nederlandse kinderen en beschouwen zich al snel als Amsterdammertjes. ‘In het begin heeft mijn moeder ruzie gehad met de buurvrouw over het kokkerellen,’ zegt bootsmanszoon ‘Jonkie’ Pelupessy, en voegt er veelbetekend aan toe: ’trassi’ (sterk riekend sambalgerecht). ‘Maar al gauw waren we de beste vrienden met de buren.’ Met andere Molukse en Indische jongens vormt hij een bandje dat rock ’n roll speelt op de Zeedijk.

Liefdevol ontvangen

De drie zonen van bootsman Manuputty blijken talentvolle voetballers. De jongste, Wim vertelt: ‘Mijn ouders waren gescheiden, we woonden bij onze vader. Het huishouden doen was voor hem een opgave. En dan kwamen mijn broers Guus en Tommy terug van het voetbalveld met hun vieze spullen.

Weet je wat ze deden? Ze liepen bij de buurvrouw, – Moe Sofie kwam uit de Jordaan – naar binnen, de deur stond altijd open. Mijn broers gooiden hun voetbalkleding op de hoop wasgoed en de volgende dag konden ze het schoon, droog en gestreken weer ophalen. Daarom hoor je van mij niets over discriminatie, we zijn liefdevol ontvangen.’

De Molukse kinderen in Amsterdam ontwikkelen zich tussen Nederlandse buren en vriendjes anders dan de kinderen in de tamelijk geïsoleerde Ambonezenkampen, later
‘Molukse wijken’. De eersten zullen over het algemeen minder moeite hebben om hun plek binnen de Nederlandse samenleving te vinden. Amsterdam is inmiddels de grootste ‘Molukse wijk’, wordt er onderling wel gegrapt.

Dit artikel is verschenen in Ons Amsterdam en Het Parool. Herman Keppy is journalist. Over de gebroeders Tehupeiory schreef hij de historische roman Tussen Ambon en Amsterdam (2004), over de Molukse marinemannen het boek De laatste inlandse schepelingen (1994). Dit jaar komt hij met een nieuw boek over een gebeurtenis uit de Indonesische geschiedenis.

Jonkie Pelupessy swingt met Mona in Amsterdam, rond 1960.
Jonkie Pelupessy swingt met Mona in Amsterdam, rond 1960.